Congolezen houden van taal. Het land Congo wordt, ook in de volksmond niet kortweg ‘Congo’ genoemd, maar systematisch la ‘République Démocratique du Congo’ en, in het kortste geval, ‘la RDC’. Als Congolezen ontevreden zijn, dan zijn ze niet ‘mécontents’, maar dan schrijven ze bijvoorbeeld: ‘Le gouvernement de la République Démocratique du Congo condamne lesdits propos avec énergie et exprime sa totale désapprobation.’ Letterlijk vertaald wordt dat: ‘De regering van de Democratische Republiek Congo veroordeelt deze uitspraken met veerkracht en drukt hierbij haar totale afkeuring uit.’ Het fragment komt uit de fameuze verbale nota waarmee Congo protesteerde tegen Karel De Guchts kritische uitspraken over de Congolese beleidsmakers.

Maar ook als Congolezen geamuseerd over iets zijn, weten ze dat prachtig te verwoorden. De auteur en Congo-reiziger David Van Reybrouck maakte dat mee, op een middag aan het Tanganyika-meer. Na een frisse duik in het meer stelde hij verbaasd vast dat het halve dorp hem stond te bewonderen. Toen hij een voorbijganger om uitleg vroeg, antwoordde die: ‘Monsieur, vous nous avez tellement enthousiasmé avec votre natation!’ Op die lyrische wijze drukken Congolezen enthousiasme uit.

Congolezen spreken Frans, maar waarom eigenlijk geen Nederlands? Omdat de Belgische taalstrijd onvermijdelijk ook het Congolese Evenaarswoud binnensloop, zo zegt de historicus Evert Kets in Kuifje & Tintin kibbelen in Afrika – de Belgische taalstrijd in Congo, Rwanda en Burundi.

In de Koloniale School in Brussel studeerde pas in 1937 de eerste lichting af die de opleiding uitsluitend in het Nederlands had gevolgd. Een goede kennis van de Franse taal bleek in de kolonie onontbeerlijk voor promotie, schrijft Kets. Waalse kolonialen raakten schijnbaar sneller in de stedelijke centra benoemd, waar het leven toch wat comfortabeler was. Heel wat Vlaamse kolonialen daarentegen hadden het gevoel dat zij opvallend vaak naar afgelegen en minder gezonde streken in Congo werden uitgestuurd.

‘Nooit werd er Nederlands gesproken in dienstverband’, zo citeert Kets een politieagent die eind jaren vijftig in de mijnprovincie Katanga werkte. ‘Tenzij bij troebels. Dan moesten alle radioverbindingen in het Nederlands gebeuren, omdat de Congolezen dat niet begrepen.’

Daardoor kreeg het Nederlands in de oren van de Congolezen een louche bijklank. Opperbevelhebber Emile Janssens gaf twee West-Vlaamse officieren ooit nog een waarschuwing, omdat ze Brugs met elkaar spraken. Niet uit francofilie, maar omdat hij vreesde dat de Congolezen zouden denken dat er dingen gezegd werden die zij niet mochten horen. En dat kon het vertrouwen schenden.